| De voeding van onze parkieten - Uit de natuur |
|
|
Pagina 6 van 9 UIT DE NATUUR
Uiteraard zijn er ook een groot aantal planten die gewoon in onze achtertuin groeien die we in de lente en 's zomers aan onze parkieten kunnen geven. Ten eerste is het erg leuk om in de natuur vers voedsel voor je vogels te zoeken, ten tweede is er een grote keuze aan planten, bomen en kruiden met elk hun goed eigenschappen. Zoals eerder gezegd een gevarieerd dieet is belangrijk voor onze parkieten. Onderstaand een opsomming van planten, kruiden en bomen die u goed aan uw vogels kunt geven. Let uiteraard wel op dat ze niet vervuild zijn met uitlaatgassen, urine van katten en honden en allerlei meststoffen. Een probleem dat minstens zoveel voorkomt als vergiftiging door planten (zie hoofdstuk Voeding die we NIET aan onze parkieten moeten geven), is een vergiftiging door het eten van meststoffen die gebruikt worden bij planten. Zeker als deze plantenvoeding de vorm heeft van korreltjes kan een vogel de neiging hebben hiervan te eten. Als vogels plantenmeststoffen binnen krijgen, ontwikkelen zij een nitraatvergiftiging. De dieren gaan veel drinken, worden benauwd, kunnen een grauw-grijze verkleuring krijgen van de normaal roze slijmvliezen en de dieren kunnen uiteindelijk sterven. Als u een vogel verdenkt van nitraatvergiftiging is het daarom aan te bevelen om onmiddellijk contact op te nemen met de dierenarts. Bent u er niet zeker van dat de planten die u wilt plukken schoon en vrij zijn van schadelijke stoffen, laat ze dan staan en zoek een andere locatie om uw spullen te verzamelen. Persoonlijk spoel ik voor de zekerheid alle uit de natuur geplukte spullen goed af met lauw water (uitgezonderd de zaden) en droog dit vervolgens zorgvuldig door voorzichtig te deppen met een schone theedoek of keukenpapier. In dit hoofdstuk worden de volgende planten behandeld: - Vogelmuur Vogelmuur Vogelmuur (Stellaria media) is een lage eenjarige plant, die in alle seizoenen in bloei is te vinden, zolang er geen langere vorstperiode is. De plant is vaak wijdvertakt, maar heeft slecht één wortelstelsel. De stengels zijn groen of rood. De bladeren zijn groen, eirond met een spitse top, en vaak gesteeld. De bloemknop is sterk behaard. Vrijwel alle vogels zijn gek op vogelmuur.
Figuur 38: Vogelmuur Er zijn in de Benelux twee nauw verwante soorten waar hij veel op lijkt. Duinvogelmuur (Stellaria pallida): Deze plant groeit voornamelijk in het voorjaar en ziet er bleekgroen uit. Hij maakt een wat 'bespoten' indruk. De kroonbladen zijn vaak afwezig. De naam duinvogelmuur berust op de gedachte dat deze soort voornamelijk in de duinen voorkomt. Maar uit nader onderzoek is gebleken dat hij ook in het binnenland te vinden is en daar over het hoofd is gezien. Heggevogelmuur (Stellaria neglecta): Deze plant is forser dan vogelmuur, heeft grotere kroonbladen, tien meeldraden en de grootste zaden. De soort is eenvormig. Paardebloem De paardebloem (Taraxacum officinale) is een soort uit de composietenfamilie (Asteraceae). In deze familie zijn bloemen sterk gereduceerd en klein en staan dicht bij elkaar in een bloemhoofdje. Baardenbloemen zijn heel algemeen. In april kunnen ze hele weilanden geel kleuren. De paardebloem is in het noorden bekend als hondstong (Drenthe) en als hondebloem (Groningen). In het Nederlands is hondstong ook de benaming voor een andere plantensoort. In het zuiden (Limburg) en in Vlaanderen (België) wordt de paardebloem ook wel pisbloem genoemd. In gedeelten van (Gelderland) wordt het wortelrozet kettingspol genoemd.
Figuur 39: Paardebloem U kunt van de paardebloem alle delen voeren aan uw parkieten (wortel, stelen, bladeren en de bloemen). Paardebloem is een zeer goede vochtdrijver. Heeft een mild laxerende werking en is zeer goed voor de werking van een trage lever. Verder is de paardebloem ruim voorzien van mineralen en vitaminen. Werkt bloedaanvullend en is een goede voorjaarsreiniger. Het witte melksap is licht giftig. Voer het daarom met mate! Een overvloedige verstrekking kan leiden tot maag en darmstoornissen en zelfs tot hart ritme stoornissen. Brandnetel De brandnetel is een plant waarvan in Nederland de grote brandnetel (Urtica dioica) en de kleine brandnetel (Urtica urens) voorkomen.
Figuur 40: Brandnetel Het beste is om de brandnetels te plukken wanneer ze nog niet bloeien, ze daarna te wassen en te koken. Zeef hierna het kooksel. Het afgekoelde water kan de volgende dag aan onze vogels verstrekt worden als drinkwater. Het sap werkt bloed reinigend en is bloed verrijkend. Verder stimuleert het ook de werking van de nieren. De bovengrondse delen van brandnetel zijn rijk aan vitamine A en C, ijzer en mineralen. Ook komt vitamine D in de plant voor. Tot 20 % aan kiezelzuur, kalium en nitraat kan in de plant voorkomen. Rozenbottel De rozenbottel is de vlezige vrucht van een roos. De de opgezwollen bloembodem vormt , net zoals bij de appel, het vruchtvlees. Afhankelijk van de soort en variëteit van de roos kan de kleur rood, oranje, purper of zwart zijn. De vorm varieert van rond of langwerpig tot flesvormig. Een rozenbottel bevat veel geelwitte, harde zaden. De rozenbottel komt voor in Europa, Azië, Zuid-Amerika en Noord-Amerika. Vrijwel alle vogels zijn gek op rozenbottels. Rozenbottels zijn rijk aan vitamine C en vitamine A, B1 en B2.
Figuur 41: Rozenbottel, (Links) - hondsroos Rozenbottels kunnen in de zomer en herfst geplukt worden wanneer ze oranje tot rood gekleurd zijn. Wanneer u geplukt hebt draait u de uitgedroogde bloem eraf. Hierna kunt u de rozenbottels zo aan uw parkieten voeren. De vogels zijn er gek op. U kunt rozenbottels goed bewaren door ze te drogen of in te vriezen. Ze zijn rijk aan vitamine C. Vlierbes De gewone vlier is een bloeiende heerster met lichtgrijs tot bruine schors, aan de jonge twijgen grijsgroen, met talrijke opvallende poriën, diep gegroefd en kurkachtig. De bladen zijn tegenoverstaand, geveerd met brede lancetvormige, getande, lichtgroene kelkbladen. De bloemtros is langwerpig met twee hoofdvertakkingen en heeft veel karakteristiek geurende, groenachtig gele bloemen. Vanaf september - oktober rijpen de kleine, bolronde, glanzend zwarte, besachtige steenvruchten met drie bruinige zaden. De vlier wordt vooral aangetroffen in tuinen en naast huizen. In het wild kun u hem aan de rand van bossen, tussen struikgewas of in de duinen vinden.
Figuur 42: Vlierbes Van de vlierbes geven uiteraard de bessen aan onze parkieten, voor de bessen moet je wachten tot september - november. De bessen zijn zeer rijk aan vitamine C. Vlierbes is een uitermate geschikte boom om in onze volières te planten. Op de een of andere manier worden de struiken niet echt gesloopt zodat we jaar na jaar gebruik kunnen maken van de beplanting in de volière. Herderstasje Het herderstasje (Capsella bursa-pastoris) hoort tot de kruisbloemigen. Het is een rechtopstaande plant met witte bloemen en bochtig getande bladeren in een wortelrozet.
Figuur 43: Herderstasje U kunt de hele plant geven. De meeste vogels zijn er gek op. U kunt deze plant in grote hoeveelheden plukken en vers houden door ze in een pot water te zetten. Het is een zeer goede plant voor jonge parkieten en kan goed gebruikt worden tijdens de opfok periode. Kamille De Echte kamille (Matricaria recutita syn. Matricaria chamomilla en Chamomilla recutita) komt overal in Europa voor en wordt op grote schaal geteeld in Hongarije en Oost-Europa. Matricaria is afgeleid van de Latijnse woorden Mater wat moeder en caria wat zorg betekent. Camai betekent grond en millon appel. De soort is een algemeen voorkomende plant uit het geslacht Kamille dat tot de Composietenfamilie behoort. De Echte kamille heeft meestal een vrij sterke geur. De plant is eenjarig en kan 10 tot 40 cm hoog worden en bloeit van mei tot eind september. De bloem heeft een witte stralenkrans van lintbloemen en vijftandige buisbloempjes. De witte lintbloemen buigen aan het eind van de bloei naar beneden. De hoofdjes zijn tamelijk lang gesteeld.
Figuur 44: Kamille U kunt de hele plant geven maar u kunt het ook zoals de brandnetel koken om vervolgens het water aan de vogels te geven. Kamille is goed voor de spijsvertering en helpt bij diarree en krampen. Het versterkt het zenuwstelsel en helpt bij stress, verkramping , vermoeidheid en gebrek aan energie. Daarnaast heeft het een hele goede ontstekingremmende werking. Kamille is rijk aan vitamine B en C. Wilgenroosje Het wilgenroosje (Chamerion angustifolium, ook wel Epilobium angustifolium) is een overblijvende, 0,6 tot 1,5m hoge plant uit de Teunisbloemfamilie. De naam wilgenroosje is afgeleid van de gelijkenis van de bladen met de wilg. Het Latijnse angustifolium betekent smalbladig.De 2-3,5 cm grote bloemen zijn lijnsymmetrisch, maar niet puntsymmetrisch. De vier kroonbladen staan in twee paren, een bovenste paar en een onderste paar. De bovenste kroonbladen zijn iets groter dan de twee onderste, waardoor de kroonbladen iets weg hebben van de vleugels van een vlinder. Het smalle, onderste kelkblad steekt opvallend tussen de twee onderste kroonbladen naar beneden. De kelkbladen zijn rood tot donkerpaars gekleurd. De stengels zijn rechtopstaand, dicht bebladerd en niet vertakt. De bloemen zijn als een grote aar langs de stengel gerangschikt. De bloemen lijken op steeltjes te staan, deze steeltjes vormen echter het vruchtbeginsel. De bloeiperiode loopt van juni tot augustus. De 4-16 cm lange, meestal rechtopstaande bladen zijn langwerpig, en aan de onderzijde blauw-groen. De pluisvormige zaden worden gemakkelijk door de wind verspreid. De plant verspreidt zich door de grote zaadproductie gemakkelijk op iets zanderige, maar voedselrijke terreinen in bossen en bij heide.
Figuur 45: Wilgenroosje Van deze plant dient u alleen de knoppen te geven , nadat ze uitgebloeid, maar voordat ze opengaan om hun zaad te laten vallen. Sint Janskruid Sint-janskruid (Hypericum perforatum) behoort tot het geslacht Hertshooi en is al heel lang bekend als geneeskrachtig kruid. Het wordt in alternatieve geneeswijzen veel gebruikt. De vaste plant komt van nature oorspronkelijk voor in Europa, maar is van daaruit verder verspreid. Sint-janskruid had als bijnaam jaag den duvel, het werd boven de deur gehangen om boze geesten weg te jagen. Het kruid bloeit met gele bloemen als de zon op zijn hoogst staat met het Sint-Jansfeest op 24 juni. Figuur 46: Sint Janskruid Sint Janskruid kan in z'n geheel gevoerd worden. Het kalmeert en versterkt het zenuwstelsel. Verder helpt het tegen stress en stimuleert het de werking van de lever en galblaas. Daarnaast stimuleert het de spijsvertering. Jakobskruid Jakobskruiskruid (of: Jakobskruid) (Jacobaea vulgaris subsp. vulgaris syn. Senecio jacobaea L.), niet te verwarren met boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) , is een wilde, in de regel tweejarige plant met gele bloempjes uit het geslacht Jacobaea (Jacobskruid), die steeds meer voorkomt in de Nederlandse wegbermen en natuurgebieden en van daaruit in de perceelsranden van weilanden. Sinds 1998 komt de plant in het noorden van Nederland vijf maal zoveel voor. De plant is een pioniersplant en verspreidt zich snel doordat een volwassen plant 75.000 tot 200.000 zaadjes kan produceren, die op open plekken in het gras of de berm makkelijk kiemen. De zaadjes worden door het zaadpluis met de wind meegevoerd. Jakobskruiskruid is in bermen ook ingezaaid doordat het voorkomt in bermopfleurende kruidenmengsels.
Figuur 47: Jakobskruiskruid Jakobskruiskruid bloeit ongeveer van juni tot oktober. Wanneer de bloemen zijn uitgebloeid, ongeveer vanaf augustus, vormen er zich grijze pluisjes op de uitgebloeide bloemknoppen. Dit is het moment dat u het moet plukken. Let er op dat u alleen de uitgebloeide bloemknoppen aan uw vogels geeft, de bladeren en de stengels zijn namelijk giftig, maar op de zaden zijn de meeste vogels verzot. Duizendblad Duizendblad (Achillea millefolium) heeft haar soortnaam te danken aan het dubbel veerdelige blad, waardoor het lijkt of het uit zeer veel kleine blaadjes bestaat. De plant komt algemeen voor in Europa en Noord-Amerika en heeft een typische geur. De planten met rode bloempjes worden ook in de siertuin gebruikt. De geslachtsnaam is afgeleid van Achilles, die duizendblad met zijn legers meenam voor de behandeling van krijgswonden. De plant wordt 15 tot 50 cm hoog en vormt ondergronds wortelstokken voor vegetatieve verspreiding. duizendblad bloeit van juni tot november met wit tot roze bloempjes. Soms komen planten met rode bloempjes ook in het wild voor. De bloeiwijze bestaat uit een schermvormige tros. duizendblad komt voor op voedselrijke, verstoorde grond en op braakliggende terreinen. De plant kan goed tegen droogte.
Figuur 48: Duizendblad Duizendblad kunt u in z'n geheel aan de vogels geven. Het bevordert de circulatie en versterkt de bloedvaten. Is bloedzuiverend en is bloedstelpend bij in- en uitwendige bloedingen. Verder helpt het ook tegen stress en darmstoornissen. Fluitenkruid Fluitenkruid (Anthriscus sylvestris) is een plant uit de schermbloemenfamilie (Apiaceae). Deze soort komt in Nederland algemeen voor, in het bijzonder op plaatsen die met gras begroeid zijn. De plant komt veelal talrijk voor in wegbermen die hierdoor wit gekleurd worden.
Figuur 49: Fluitenkruid, (Links)- de plant, (Rechts) - de eetbare zaden Het Fluitenkruid dankt zijn zijn naam aan het feit dat er een fluitje van gemaakt kan worden. Om een fluit te maken moet bij een holle fluitekruidpijp, met onderaan een dichte knoop, ongeveer halverwege een snee overlangs gemaakt worden. In Friesland wordt deze plant ook wel Pinksterbloem genoemd, niet te verwarren met de echte Pinksterbloem. Omstreeks mei, wanneer de zaden beginnen te rijpen, kunt u deze plant plukken. Alleen de zaden worden aan onze vogels gegeven. Weegbree De grote weegbree (Plantago major subsp. major) is een 10 tot 50 cm grote plant uit de weegbreefamilie (Plantaginaceae). De bladeren van de grote weegbree vormen een rozet en zijn goed bestand tegen "belopen". De plant komt algemeen voor als onkruid in veel tuinen en langs wegen en paden. De bloemen vormen een aar die rolrond is en 10 tot 15 cm lang kan worden. De grote weegbree staat in bloei van mei tot november. De tweeslachtige bloemen zijn groenachtig geel. De stempel komt het eerste te voorschijn. De helmknoppen zijn eerst lila, maar worden later geelachtig. De bladeren vormen een rozet en zijn breed-elliptisch of eirond. Elk blad is spaarzaam behaard of glad. De bladsteel is tamelijk lang en sterk geribbeld. De grote weegbree draagt een doosvrucht met een grootte van 2 tot 5 mm. Elke vrucht bevat vier donkerbruine zaadjes of meer.
Figuur 50: Weegbree plant Weegbree wordt door brijwel alle vogels graag gegeten. Voordat u weegbree aan uw vogels kunt voorschotelen zult u moeten wachten tot de staartvormige pluim een bruine kleur heeft. In de groene toestand zullen de vogels het niet eten. De oogsttijd van weegbree vooronze parkieten ligt rond augustus. Weegbree heeft een goede invloed op de rui.
Figuur 51: Weegbree in de toestand waarin u het aan uw vogels kunt geven Speerdistel De Speerdistel (Cirsium vulgare syn. Cirsium lanceolatum) is een plant uit het geslacht vederdistel. De plant kan tot 120 cm hoog worden. De bladeren lopen uit in lange gele stekels. De plant bloeit met grote distelkoppen die onder de paarse bloempjes zijn ingesnoerd. De bloei duurt van juni tot eind september. De speerdistel heeft van de distels de scherpste en grootste stekels. De bloemen zijn omgeven door puntige omwindselblaadjes. De vruchtjes zijn aan de top voorzien van geveerd vruchtpluis (distelpluis). Het is een tweejarige plant: in het eerste jaar vormen zich de wortel en het bladrozet; in het tweede jaar ontwikkelen zich de bloemen en vruchten.
Figuur 52: Speerdistel De speerdistel komt voor in weilanden, bermen en op dijken. De plant is rijk aan nectar. De bloeiende knoppen worden dan ook verslonden door mijn swiftparkieten, typische nectar eters. Voor de meeste andere parkieten ligt het oogst moment net iets later, namelijk het moment dat de knoppen open zijn gegaan en er zich zaadpluizen vormen. Dit is ongeveer van augustus tot en met oktober. Kaardebol De Grote kaardenbol (Dipsacus fullonum), ook wel de weverskaarde genoemd, behoort tot de kaardenbolfamilie (Dipsacaceae). In het wild is de Grote Kaardebol in Nederland wettelijk beschermd (dus moeten we matig zijn met plukken van deze plant). De Grote kaardenbol komt oorspronkelijk uit Noord-Afrika (Maghreb), Voor-Azië en Europa, maar komt tegenwoordig overal in de gematigde streken voor. De plant is tweejarig en kan 70 tot 150 cm hoog worden. De bladeren zijn twee aan twee tegenoverstaand en de vergrote bladvoet werkt als opvangbakje voor water. De lila bloempjes zijn klein en ongesteeld en staan bij elkaar op een hoge ineengedrongen tros (hoofdje). Ze hebben een 5 tot 9 cm lange gemeenschappelijke "kelk" (het omwindsel). Elk bloempje heeft naast een eigen vergroeidbladig omwindseltje ook nog een kelk van stijve haren. Een bloempje heeft vier meeldraden, één stamper en een onderstandig vruchtbeginsel met één zaadknop. De bloei begint vanuit het midden van de bloeiwijze en bloeit tegelijk naar boven en beneden. Hierdoor zijn twee bloeiende ringen te zien.
Figuur 53: Kaardebol, (Links) - een bloeiende plant, (Rechts) - uitgebloeide kaardebollen, als u goed kijkt ziet u hoe een paar distelvinken zich te goed doen aan de zaden Van de kaardebol kunt u alleen de zaden aan uw parkieten geven. Draag bij het plukken handschoenen, de plant heeft namelijk nogal venijnige stekels. Wilgentakken Vooral takken van de schietwilg en de knotwilg zijn erg geliefd bij onze parkieten.
Figuur 54: Wilgentakken Onderstaand een foto van één mijn eigen swiften die zich uren in een grote bos wilgentakken kunnen vermaken. Behalve dat een flinke bos verse takken zorgt voor veel afleiding, zijn de takken ook erg gezond. U zult zien dat binnen de kortste tijd de takken zijn ontdaan van hun bast en blad. Tijdens het knagen aan de bast krijgen de vogels veel mineralen en vitaminen binnen.
Figuur 55: Eén van mijn eigen swiftparkieten genietend van een verse bos wilgentakken. Fruitboomtakken Takken van appel- en perenbomen zijn zeer geliefde knaagobjecten bij parkieten. Ze vinden het heerlijk om aan te knagen, hetgeen erg goed is voor hun snavel. Ook is de ruwe structuur van de takken goed voor hun nagels wanneer ze in de takken kunnen klimmen en klauteren. Gebruik geen takken van fruitbomen van zogenaamde steenvruchten met een harde pit zoals de kersen- en pruimenboom.
Figuur 56: (Links) - appelboom, (Rechts) - perenboom |
























